Hier vindt u de login mogelijkheden van onze portals en online services. Selecteer de gewenste dienst en log in met uw persoonlijke inlogcode.
Heeft u nog geen inloggegevens?
Neemt u dan contact met ons op.
Onlangs is een ‘maatregelpakket stikstofaanpak’ bekend gemaakt. Veel voorgestelde maatregelen zijn al eens eerder genoemd, maar zijn nu nadrukkelijk in het totaalpakket opgenomen. Diverse maatregelen moeten nog nader worden uitgewerkt. Hiervoor is een tijdspad uitgezet. Veel maatregelen zijn van grote invloed op de landbouwsector. De grootste impact hebben de zonering rondom circa 100 Natura 2000-gebieden, de grondgebondenheidsnorm voor de melkveehouderij en een eventuele afroming van dierrechten. Ondanks dat het Kabinet inzet op doelsturing, worden ook diverse (zware) middelvoorschriften voorgesteld. Dit geldt ook voor de grondgebondenheidsnorm. In dit bericht gaan we in op diverse maatregelen voor de landbouw en het tijdspad wat hiervoor is aangegeven.
In de Kamerbrief ‘Weer ruimte voor boer, natuur en bouw: maatregelpakket voor landbouw natuur en stikstof’ gaat minister Van Essen in op diverse maatregelen om Nederland van het ‘stikstofslot’ te halen. Met de maatregelen wil de minister onder andere:
Daarnaast worden maatregelen voorgesteld om andere drukfactoren voor de natuur, zoals verdroging, aan te pakken. En wordt ingezet op het verbeteren van de waterkwaliteit in kwetsbare watergebieden.
Het kabinet wil de ‘Kritische Depositiewaarde (KDW)’ in de wet vervangen door sectorale emissiereductiedoelstellingen. Hiermee gaat de wetgeving van depositiedoelen naar emissiedoelen. Individuele bedrijven kunnen beter sturen op emissiedoelen dan op depositiedoelen. Het streven is om het wetsvoorstel met emissiedoelen en het ontwerpprogramma, ter vervanging van de KDW, in oktober 2026 naar de Tweede Kamer te sturen.
Daarnaast wil het kabinet een rekenkundige ondergrens invoeren die de drempelwaarde van 0,05 mol/ha moet vervangen. Hierdoor is een natuurvergunning voor projecten met een beperkte stikstofdepositie (bijvoorbeeld woningbouw) niet meer nodig. Dit kan ook een oplossing zijn voor bepaalde PAS-melders en ‘interimmers’.
Het kabinet wil een wetenschappelijke onderbouwde rekenkundige ondergrens uiterlijk in het vierde kwartaal 2027 invoeren.
De meeste maatregelen zijn al eens eerder voorgesteld. Ook in het coalitieakkoord zijn diverse maatregelen opgenomen, zoals bijvoorbeeld doelsturing, grondgebondenheid, zonering rondom natuurterreinen en vrijwillige bedrijfsbeëindiging. Dit geldt ook voor het schrappen van de kritische depositiewaarde (KDW) uit de wetgeving en het invoeren van een rekenkundige ondergrens.
Het maatregelenpakket betreft volgens de minister ‘één samenhangend geheel van maatregelen’. De inzet van het kabinet is om de maatregelen in zijn geheel op te nemen in wet- en regelgeving. Het is niet te bedoeling om per maatregel te beoordelen of dit wel of niet doorgevoerd moet worden. Wel kunnen bepaalde maatregelen, bij een politieke meerderheid, wellicht worden aangescherpt of versoepeld.
Voor het doorvoeren van de maatregelen moeten diverse wetten worden aangepast en/of ingevoerd. Hiervoor worden verschillende trajecten opgestart. De Tweede en Eerste Kamer zullen daardoor op verschillende momenten voor aanpassingen van wetgeving moeten besluiten. Het is de vraag of het ‘samenhangend geheel’ dan nog volledig intact blijft.
Als de (sectorale) emissiereductiedoelen niet tijdig worden gehaald, is het mogelijk dat in 2035 een korting op de (sectorale) productierechten wordt ingevoerd.
Hieronder gaan we in op voorgestelde maatregelen voor de landbouw. Per onderdeel is, voor zover bekend, een tijdspad voor de te nemen stappen opgenomen.
De landbouwsector moet uiterlijk in 2035 de stikstofuitstoot (ammoniak) met 42-46% verlagen ten opzichte van het jaar 2019. In de zones rondom bepaalde Natura 2000-gebieden moet gemiddeld 20% extra worden gereduceerd (62-66% reductie).
Daarnaast zullen voor alle gebieden ook normen worden gesteld voor broeikasgassen, zoals CO2.
Op basis van de streefwaarde van 23-25% ammoniakreductie in 2030, dat in het Coalitieakkoord is opgenomen, worden voor 2030 emissieplafonds (landelijk en per dierlijke sector) vastgesteld. Op basis van deze emissieplafonds worden streefwaarden voor bedrijfsemissies vastgesteld, zodat bedrijven alvast stappen kunnen zetten richting 2030 (en 2035).
De bedrijfsspecifieke streefwaarden voor 2030 worden eind dit jaar bepaald.
Het is de bedoeling dat vanaf 2035, zowel voor de melkveehouderij als de intensieve veehouderij, wordt ingezet op doelsturing middels afrekenbare emissienormen.
De emissienormen worden voornamelijk vastgesteld op basis van wat technisch mogelijk is. De emissienormen worden vertaald naar ‘emissiegetallen per bedrijf’. Deze emissiegetallen worden gebaseerd op generieke normen en niet op een ‘reductie ten opzichte van een referentiejaar’. Hierdoor hebben bedrijven die al stappen hebben gezet bij het reduceren van bijvoorbeeld de ammoniakemissie een voordeel.
Voor de melkveehouderij worden de bedrijfsspecifieke ammoniakemissienormen op stal- en opslagemissies gericht. Voor broeikasgassen gaat het om emissienormen voor stal-, opslag- en dieremissies.
Deze emissienormen worden per fosfaatrecht vastgesteld. De volgende normen voor 2035 zijn nu voorgesteld:
Zie voor meer achtergrondinformatie over de keuze om de normen per fosfaatrecht vast te stellen Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit (zie pagina 2).
Volgens de Kamerbrief zijn de normen voor de melkveehouderij ‘ambitieus’. Veel bedrijven zullen zowel management- als stalmaatregelen moeten nemen. In de praktijk zijn er grote verschillen in de hoogte van de huidige emissies per fosfaatrecht. De keuzes die bedrijven kunnen (of moeten) maken ten aanzien van bijvoorbeeld het voerrantsoen, weidegang en/of emissiearme technieken zijn hierdoor divers.
Zie voor meer achtergrondinformatie over het vaststellen van de emissienormen en de keuzes die bedrijven hebben om deze normen te behalen Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit (zie pagina 2 en 3).
Het kabinet bekijkt nog of er aangepaste emissienormen moeten gelden voor biologische, biodynamische, natuurinclusieve en/of extensieve bedrijven. Deze bedrijven leveren, volgens de minister, al een positieve bijdrage aan natuur en waterkwaliteit. Zie voor meer informatie de bovengenoemde bijlage (pagina 3).
Om een indruk te krijgen waar een bedrijf nu staat kunnen de bedrijfsresultaten uit de Kringloopwijzer worden gebruikt. Of de Kingloopwijzer in 2035 kan worden ingezet voor de afrekenbare bedrijfsspecifieke emissienormen is nog niet bekend.
Bedrijven kunnen met stal- en managementmaatregelen proberen om de emissienormen te behalen. Om te stimuleren om hier tijdig mee te beginnen wordt dit jaar nog, in overleg met het zuivelbedrijfsleven en andere relevante partijen een plan van aanpak opgesteld. Elementen van dit plan van aanpak zijn onder andere het opstellen van een bedrijfsplan gericht op 2030 met een doorkijk naar 2035. En het ontwikkelen van stimuleringsmaatregelen voor onder andere kennisontwikkeling en -verspreiding.
Voor de intensieve bedrijven worden, naar verwachting in het eerste kwartaal van 2027 emissienormen per dierplaats (kg NH3 per dierplaats per jaar en kg CO2 per dierplaats per jaar) gepubliceerd. Bij intensieve bedrijven is sturen op emissies middels managementmaatregelen beperkt. Om de emissienormen te bereiken zal vooral ingezet moeten worden op emissiearme stalsystemen.
Voor de emissiearme technieken wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande systematiek van de milieuregelgeving (onder andere emissiegrenswaarden per techniek). Momenteel wordt nagegaan of managementmaatregelen geïntegreerd kunnen worden in de stalbeoordelingssystematiek.
Zie voor meer informatie Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit (zie pagina 5).
Naast het vaststellen van bedrijfsspecifieke emissienormen en de invoering van de afrekenbare stalbalans in 2035 wordt de bestaande milieuregelgeving in de Omgevingswet aangepast om verouderde stallen uit te faseren. De verwachting is dat in het eerste kwartaal van 2027 de aanscherping van de regels wordt uitgewerkt.
Om veldemissies verder terug te dringen worden de voorschriften voor het emissiearm aanwenden van meststoffen verder aangescherpt.
Hierbij wordt niet gekozen voor doelsturing, maar voor middelvoorschriften. De reden hiervoor is dat de keuzemogelijkheden ten opzichte van bestaande middelvoorschriften beperkt zijn.
Bij de aanscherping van de regels voor emissiearme aanwending van meststoffen wordt ook gedacht aan regels voor emissiearm aanwenden van ureumhoudende minerale meststoffen.
Ook door het toepassen van technieken zoals strippen en mestvergisting kunnen veldemissies verder worden verlaagd.
Volgens de Kamerbrief zal de algemene reductieopgave (42-46% ammoniakreductie) niet gehaald kunnen worden met alleen stal- en managementmaatregelen. De landbouwsector zal, naast innoveren, extra moeten inzetten op extensiveren, omschakelen, verplaatsen en/of bedrijfsbeëindiging.
Rondom de meeste stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een zone van 500 of 1.000 meter voorgesteld. Binnen deze zones geldt een (forse) extra opdracht ten aanzien van emissiereductie. Volgens de Kamerbrief zullen bedrijven in een zone vooral moeten inzetten op extensivering van het bedrijf.
Volgens de Kamerbrief is het bij 100 van de 121 stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden nodig om een zone in te stellen. Bij 85 gebieden zou deze zone 500 meter moeten worden en bij 15 gebieden zelfs 1.000 meter vanaf de rand van het natuurgebied. Zie voor de Natura 2000-gebieden met een voorgestelde zone Bijlage 1 van de Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en in watergebieden.
In de zones gaat een extra reductie van de ammoniak van 20% gelden. Deze extra reductie is een gemiddelde voor alle zones. Per zone kan de opgave hoger of lager zijn, mede afhankelijk van andere maatregelen (onder andere ten aanzien van hydrologie, gewasbescherming en versnippering) die in een natuurgebied/zone worden genomen.
Per saldo betekent dit dat het ammoniakreductiedoel voor de zones gemiddeld 62-66% wordt.
Zoals aangegeven geeft de minister in de Kamerbrief aan dat een landelijke ammoniakreductie van 42-46% niet gehaald zal worden met alleen stal- en managementmaatregelen, maar dat aanvullende maatregelen nodig zijn. Dit zal zeker gelden bij de verhoogde ammoniakreductienormen in de zones rondom Natura 2000-gebieden. Als mogelijkheden worden genoemd: extensiveren, omschakelen, verplaatsen of bedrijfsbeëindiging. Het verplaatsen van het bedrijf is een ingewikkeld proces en is daardoor voor veel bedrijven niet haalbaar. Het extensiveren/omschakelen kan bijvoorbeeld in combinatie met kringlooplandbouw, precisielandbouw, biologische landbouw, natuurinclusieve landbouw, agroforestry, permacultuur, regeneratieve landbouw, en/of Agrarisch natuurbeheer. Echter ook dit zal niet bij ieder bedrijf passen of mogelijk zijn. Naar onze mening betekent dit dat voor diverse bedrijven bedrijfsbeëindiging dichterbij komt. Het valt dan onder de noemer ‘vrijwillige bedrijfsbeëindiging’, maar menig bedrijf zal dit zo niet beleven.
De zonering wordt mede vastgesteld op basis van informatie van provincies en maatregelen die de provincie neemt op andere drukfactoren zoals hydrologie, gewasbescherming en versnippering. Hierdoor kunnen zones bij natuurgebieden worden aangepast.
In bepaalde gebieden werkt de provincie samen met agrarische bedrijven aan een programma om de natuur in een gunstige staat van instandhouding te brengen, waardoor (hopelijk) vergunningverlening weer mogelijk wordt. Als hiermee tevens de extra emissiereductie in een zone (gemiddeld 20%) wordt bereikt, dan zijn in die zone aanvullende landelijke regels en normen op bedrijfsniveau niet nodig.
De provincies krijgen tot 1 januari 2028 de tijd om de eigen aanpak ten behoeve van een gunstige staat van Natura 2000-gebieden uit te werken. Lukt dit niet, dan gaan vanaf 2035 in de zone rondom het betreffende Natura 2000-gebied op bedrijfsniveau landelijke regels en normen gelden.
Zie voor achtergrondinformatie over de invloed van provincies op de zones en de maatregelen in een zone Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en watergebieden (pagina 3).
Het streven is om de regelgeving in een AMvB voor het (definitief) bepalen van de zones in de zomer van 2027 ter consultatie te leggen, waarna de regels worden voorgehangen aan de Tweede en Eerste Kamer. Vanaf 2028 worden de regels dan stapsgewijs ingevoerd.
Voor de melkveehouderij wordt, volgens de Kamerbrief, een grondgebondenheidsnorm van 2,6 GVE per hectare ingevoerd. Deze norm moet vanaf 2035 gaan gelden. Er gaat een ‘ingroeipad’ gelden met tussenstappen in 2030 en 2032. Het streven is om het wetsvoorstel eind 2026 ter consultatie te leggen.
De GVE-norm per dier, in het kader van grondgebondenheid, is nog niet bekend.
Voor de grondgebondenheidsnorm per hectare kan areaal van een ander bedrijf, bijvoorbeeld een akkerbouwer, meetellen. De grond moet binnen een straal van 25 kilometer van het bedrijf liggen. Daarnaast moet de veehouder hiervoor een samenwerkingsovereenkomst met het andere bedrijf afsluiten. De voorwaarden voor de samenwerking zijn nog niet bekend. Wel is aangegeven dat voor biologische bedrijven wellicht een ruimere afstandsnorm voor samenwerking met akkerbouwers gelden.
Melkveebedrijven op zand- en/of lössgrond moeten tevens gaan voldoen aan de grasland-/rustgewasverplichting. Het areaal op het bedrijf moet voor tenminste 85% bestaan uit grasland en/of rustgewassen.
De grondgebondenheidsnorm geldt voor alle melkveebedrijven en is dus een middelvoorschrift. Er komt geen differentiatie afhankelijk van gunstige resultaten ten aanzien van emissies in bepaalde gebieden. Ook wordt geen rekening gehouden met doelsturing. Een melkveebedrijf dat, op basis van doelsturing, goed scoort voor wat betreft emissies heeft hierdoor geen voordeel.
Om aan de ammoniakreductiedoelen te kunnen voldoen wil het kabinet ook het systeem van afroming van dierrechten inzetten. Binnen de huidige regelgeving kan afroming worden ingezet als een sector het sectorale mestproductieplafond overschrijdt. Op basis van de 2e kwartaalcijfers 2026 van het CBS (verwacht in augustus 2026) besluit het kabinet in september 2026 of afroming van varkensrechten, die buiten familieverband worden verhandeld, moeten worden ingevoerd. Afroming van pluimveerechten is vooralsnog niet aan de orde.
In de Kamerbrief wordt niet specifiek aangegeven dat gedacht wordt aan het invoeren van dierrechten voor andere diersoorten zoals kalveren en/of geiten.
Het kabinet wil nieuwe nationale en sectorale emissieplafonds voor ammoniak vaststellen. Bij een dreigende overschrijding van deze ammoniakemissieplafonds kan dan, vanaf 2035, afroming van fosfaat- en/of dierrechten worden ingevoerd of verhoogd.
Als in 2035 niet aan de emissiereductiedoelstelling wordt voldaan wil het kabinet mogelijk een generieke korting op productierechten doorvoeren. Het kabinet wil dit ook mogelijk maken als één of meer van de nieuwe, nog in te voeren ammoniakemissieplafonds worden overschreden. De wetgeving voor het doorvoeren van deze generieke korting moet hiervoor nog worden aangepast.
Een aantal beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden hebben een ‘KRW-opgave’ (Kader Richtlijn Water) voor de landbouw voor wat betreft uit- en afspoeling van nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen naar grond- en oppervlaktewater. Voor deze kwetsbare watergebieden zal een vergelijkbare set aan regels worden ontwikkeld als bij de zoneringsaanpak, waarbij ‘extensivering van agrarisch grondgebruik’ nadrukkelijk wordt genoemd. Zie voor de nu aangewezen kwetsbare watergebieden (betreffende beekdalen en grondwaterbeschermingsgebieden) Bijlage 2 van de Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 3 – Inzet in en rond kwetsbare natuur- en in watergebieden.
Als onderdeel van het totaalpakket aan maatregelen worden vrijwillige beëindigingsregelingen voortgezet. In totaal komt voor deze regelingen een extra budget van € 2,75 miljard beschikbaar.
Zie voor meer achtergrondinformatie over vrijwillige beëindiging Verdiepingsbijlage Hoofdlijn 1 – Emissiereductie in de landbouw, industrie en mobiliteit (pagina 7 en 8).
Naast de hierboven genoemde maatregelen voor de landbouw gaat de Kamerbrief ook in op onder andere:
In (politieke) discussies wordt vaak de juridische houdbaarheid van de aanpak aangekaart. Naar onze mening speelt dit vooral bij het verwijderen van de Kritische depositiewaarde uit de wet, het instellen van een rekenkundige ondergrens en vergunningverlening.
Naar onze mening speelt deze juridische houdbaarheid niet of minder bij het invoeren van allerlei (aangescherpte) maatregelen. Deze hebben immers geen directe invloed op het al dan toestaan van nieuwe of gewijzigde activiteiten met de daarbij behorende vergunningen. Wetenschappelijke onderbouwing en politieke argumenten spelen hierbij een rol.
Echter veel voorgenomen maatregelen zijn uiteindelijk wel van belang voor een juridische onderbouwing van bovenstaande onderdelen. Zo zal bijvoorbeeld vergunningverlening (juridisch) pas mogelijk worden na een bepaalde mate van natuurherstel en/of emissiereductie.
Met het maatregelpakket ‘stikstofaanpak’ is er meer duidelijkheid over de plannen van het kabinet voor de korte en langere termijn ten aanzien van onder andere de stikstofproblematiek. Voor de plannen moet het kabinet nog wel een meerderheid vinden in zowel de Tweede Kamer als de Eerste Kamer. Volgens de eerste politieke discussies lijkt dit niet onmogelijk. Echter bij het behandelen van de diverse benodigde wetswijzigingen zal een deel van de discussies opnieuw plaatsvinden, waardoor de exacte uitvoering nog allerminst zeker is.
Diverse maatregelen gaan verder dan het Coalitieakkoord. Ook zijn bepaalde (ingrijpende) maatregelen middelvoorschriften, waarbij ‘doelsturing’ geen rol speelt. Diverse maatregelen, zoals de emissiereductiedoelen, zonering en grondgebonden melkveehouderij hebben een grote impact voor veel bedrijven. Ondanks dat innoveren, extensivering, omschakeling en verplaatsen (theoretisch) tot de mogelijkheden behoort komt, naar onze mening, voor diverse bedrijven ‘vrijwillige’ bedrijfsbeëindiging nadrukkelijker in beeld.
Zie voor meer informatie de volgende bijlagen bij de Kamerbrief:
Mocht u naar aanleiding van bovenstaande tekst nog vragen hebben, kunt u onderstaand contactformulier invullen.
Bron: ComponentAgro