Klantlogin

Hier vindt u de login mogelijkheden van onze portals en online services. Selecteer de gewenste dienst en log in met uw persoonlijke inlogcode.

Heeft u nog geen inloggegevens?
Neemt u dan contact met ons op.

Neem contact op

Actueel

Nieuws | Geplaatst op 10 september 2026

Eindvoorraad mest: registratie per opslag

Steeds vaker meet de NVWA in januari de voorraden dierlijke mest na. Ze doen dit door per opslag de oppervlakte te bepalen en, in geval van drijfmest, met een peilstok de mesthoogte te meten. Belangrijk is dat een bedrijf zelf ook op dezelfde wijze de mestvoorraad meet en vastlegt in de administratie. In de Aanvullende gegevens is het voldoende om per mestsoort de totalen op te geven, mits dit vanuit eigen administratie onderbouwd kan worden. De voorraad gescheiden mest dat als boxstrooisel wordt gebruikt moet ook in de Aanvullende gegevens worden opgenomen. In bepaalde situaties mag deze vaste fractie ook als ‘drijfmest’ worden opgegeven.

Bepaling eindvoorraad

De hoeveelheid mest in voorraad moet worden bepaald aan de hand van een meting. Praktisch betekent dit een meting van bijvoorbeeld de hoogte van de mest in de mestput/-silo. Aan de hand van de oppervlakte van de put en de hoogte van de mest kan het totale mestvolume worden berekend.

Van volume naar gewicht

In de gebruiksnormenberekening wordt uitgegaan van het gewicht. Het gemeten volume moet worden omgerekend naar gewicht. Voor drijfmest is de verhouding 1 op 1: één kuub drijfmest is gelijk aan één ton drijfmest. Voor vaste mest moet aan de hand van de (geschatte) dichtheid het gewicht worden bepaald.

Aanvullende gegevens

In de Aanvullende gegevens is het mogelijk om meerdere eindvoorraden van dezelfde mestsoort op te geven. In de praktijk wordt vaak per mestsoort/mestmengsel de totale hoeveelheid als één eindvoorraad opgegeven. Dat mag, echter uit de eigen administratie moet wel blijken welke mestopslagen aanwezig zijn en hoeveel mest er per opslag aanwezig was. Hierbij moet de oppervlakte en mesthoogte worden vastgelegd.

Advies, per opslag

Aangezien de eindvoorraad toch per opslag in eigen administratie vastgelegd moet worden is het advies om deze registratie ook toe te passen in de gebruiksnormenberekening en de Aanvullende gegevens.

Voorraad dikke fractie als boxstrooisel

Bedrijven die drijfmest scheiden en de dikke fractie als boxstrooisel gebruiken moeten de eindvoorraad dikke fractie, ook als deze in de boxen ligt, ook opmeten en opgeven. Hiervoor moet mestcode 13 worden gebruikt met de daarbij behorende gehaltes.

Niet altijd apart in gebruiksnormenberekening

Indien echter de dikke- en dunne fractie uiteindelijk weer in dezelfde put terecht komen mag voor de gebruiksnormenberekening gewoon gerekend worden met mestcode 14 met de daarbij behorende werkingscoëfficiënt.

Als mestcode 14 opgeven

Om de administratie in deze gevallen te vergemakkelijken heeft RVO onlangs aangegeven dat de voorraad dikke- en dunne fractie na mestscheiding, voor het gebruik als boxstrooisel, onder mestcode 14 opgegeven mag worden inclusief de daarbij behorende gehaltes. Dit geldt uitsluitend indien de dikke- en dunne fractie na gebruik als boxstrooisel weer in dezelfde put terecht komen.

Wel administratie bijhouden

Van de mestscheiding moet ook in deze situatie wel een administratie bijgehouden worden over de manier van scheiden en de hoeveelheden in- en uitgaande stromen.

Gehaltes

Naast de hoeveelheid mest in eindvoorraad moeten ook de gehaltes worden vastgelegd. Dit moet volgens de ‘best beschikbare gegevens’.

Mocht u naar aanleiding van bovenstaande tekst nog vragen hebben, kunt u onderstaand contactformulier invullen.

Contact

  • Dit veld is bedoeld voor validatiedoeleinden en moet niet worden gewijzigd.
  • Bron: ComponentAgro